De koffer is voor de helft uitgepakt en de was is in de machine gemikt. Hoog tijd om mijn gedachten op elektronisch papier te zetten, want wat was het een reis. Als mensen me vragen hoe de reis is het eerste woord wat in mijn hoofd opkomt: Goed. De samenhang was goed, de confrontaties waren goed, de tranen waren goed en de boosheid was goed. Ik heb zoveel geleerd in de afgelopen week dat het “en nu?” voor mij nog onduidelijk is. Er is echter een verhaal dat voor mij boven alle andere uitsprong en dat is het verhaal of genade en hoop van Daniël en Shadrah.

 

Op zaterdag, de dag dat we in Tanzania aankwamen, werden we meteen aan het werk gezet. Met kleine oogjes en zware vliegtuigbenen vertrokken we voor het eerst van het luxe Masailand-hotel naar een van de Compassion-projecten dat Arusha rijk was. We werden getrakteerd op een geweldige ervaring toen we welkom werden geheten door de eerste sponsorkinderen die we ontmoette en toen we samen met hen een waar feest bouwden samen met de kinderen. Na de dienst gingen we in groepjes van vijf uiteen naar de eerste huisbezoeken van de week en dit was het moment dat we kennis maakten met Daniël, een schuchtere, maar nieuwsgierige jongeman van 16 jaar. Samen met onze vertaler Michael en Compassion-medewerker Christopher liepen we met een zak producten, zoals zeep en bakolie, richting het huis van Daniël. We liepen over een verlaten treinspoor dat lag op vers geproduceerde modder. Met enige behendigheid probeerde ik zo goed en kwaad als het kon om op de kromme, metalen bielzen te lopen zodat ik de modder kon ontwijken. Gezien de Tanzanianen die met ons waren precies hetzelfde deden concludeerde ik dat het een goede strategie was. Na een geschatte halve kilometer verlieten wij het spoor door van de heuvel waar het spoor op lag naar beneden te lopen. Na het vinden van de weg tussen de plassen liepen we op de onverharde hoofdstraat van de ‘wijk’ waar Daniël woonde. Na nog een half uur lange wandeling door de straat gingen we een weggetje in en kwam het huisje van Daniël in zicht. Het was een wit huisje dat makkelijk in onze woonkamer zou kunnen passen. De muren waren gemaakt van hard geworden modder en koeiepoep. We werden welkom geheten door de tante en tevens de verzorger van Daniël, een sterke, vriendelijke en vooral nederige vrouw. Ze deed de deur open en toonde een woonkamertje van amper vier vierkante meter. In de woonkamer stond een bed, twee stoelen, een tafeltje en een grote teil water, zo strategisch mogelijk geplaatst zodat er genoeg ruimte was voor Daniël, zijn tante, de vertaler en de vijf Muskathleten. Wegens ruimtegebrek stond de Compassion-medewerker in het deurgat. We deden allemaal onze modderige schoenen uit en liepen langzaam binnen. Er werd ons uitgelegd dat Shadrah, de dochter van de verzorgende tante van Daniël later nog binnen zou komen. We stelden ons een voor een aan elkaar voor en zodra Daniël het woord had begon hij vragen te stellen. Hij was erg nieuwsgierig naar de landbouw in Nederland en naar hoe we voor eten zorgen in de winter. Maar toen hij de vraag kreeg naar wat hij later wilde worden kijk hij vol zekerheid uit zijn ogen. In Swahili zei hij dat hij bad om tekenaar te worden en dat hij zo realistisch mogelijk wil leren tekenen. Niet veel later kwam Shadrah binnen en hem werd dezelfde vraag gesteld en hij antwoordde dat hij tot God bad om piloot te worden. Deze antwoorden heeft me de hele verdere reis tot nadenken gezet. Letterlijk alles wordt in de handen van de Allerhoogste gelegd. De dromen van deze twee jongens zijn superambitieus, maar ook nederig tegelijk, omdat ze beseffen dat hun toekomst bij God ligt. Hier kunnen wij heel veel van leren. In een meritocratische samenleving waarbij alles wat je overkomt door je eigen acties en (gebrek aan) competenties ligt, mogen we leven in de genade van God. We hoeven niet aan alles wat ons overkomt een oorzaak aan te wijzen alsof wij alles alleen moeten en kunnen doen. We mogen onze toekomstplannen en dromen in Gods handen leggen en bij de genade van God zal Hij je dromen zegenen.